Breitechniek

Breien gebeurt, behalve bij rondbreien, in een heen-en-weer gaande beweging. Het eerste wat de breier doet is het opzetten van de breisteken. Door een soort draai te maken met een draad wol, komt er een lus terecht op de breinaald. Het opzetten is moeilijker te leren dan het breien zelf. Sommige breiers zetten met de hand de steken op, anderen doen dat na de eerste steek, die gelijk is aan een haaksteek, al breiend. Het aantal steken dat wordt opgezet wordt onthouden, want bij elke breigang moet hetzelfde aantal steken worden gebreid, tenzij er wordt gemeerderd of geminderd. Als het aantal steken onverwacht verminderd is, is er een steek gevallen. Als dit niet snel hersteld wordt, komt er een ontsierende ladder in het breiwerk.

Na het opzetten van de steken wordt de eerste pen, of de eerste naald, gebreid. Hierna wordt beschreven hoe een rechtshandige breier kan breien. De breier steekt met de lege naald in haar rechterhand in de eerste steek op de linkernaald, slaat de draad om de rechternaald, haalt deze draad door de lus van de steek die nu over beide naalden ligt, en trekt vervolgens de steek van de naald in de linkerhand af. Daarbij draagt zij er zorg voor dat er geen andere steken van de linkernaald worden afgetrokken. Ook zorgt zij ervoor dat de draad aan de juiste kant van de rechternaald terecht komt. Is de draad aan de achterkant van deze naald, dan wordt recht gebreid, is de draad aan de voorkant van deze naald, dan wordt averecht gebreid.

In Nederland werd de meisjes op sommige scholen het volgende ritme aangeleerd:

Insteken – omslaan – doorhalen – af laten gaan.
Dat zijn de vier handelingen om één breisteek te maken. Een ervaren breier doet deze vier handelingen in ongeveer een halve seconde of zelfs nog sneller.

Meerderen en minderen

Een gebreide lap kan niet, zoals bij een geweven stof wel kan, op maat gemaakt worden door deze te knippen, omdat het breiwerk daardoor helemaal uit elkaar zou gaan vallen. De lap moet dus direct in de goede vorm gebreid worden. Het breiwerk breder maken doet men door breisteken bij te maken, meerderen genoemd (door bijvoorbeeld één steek recht en één steek averecht in dezelfde lus te breien). De lap kan smaller gemaakt worden door te minderen (door twee of meer steken samen te breien, of door één steek over een andere heen te halen).

Om een trui te breien worden meestal door meerderen en minderen vier delen gemaakt: twee mouwen, een voorpand en een achterpand. Omdat het moeilijk is om te voorspellen wat er precies gebeurt bij het meerderen en minderen, wordt vaak gebruikgemaakt van breipatronen, die in breiwinkels verkrijgbaar zijn. De vier gebreide delen worden als alles gereed is, met dezelfde wol aan elkaar genaaid. Dit moet losjes gebeuren, omdat anders de naden gaan trekken.

Door eerst een proeflapje te maken van circa 10 x 10 cm en aan de hand daarvan het aantal steken te berekenen ten opzichte van het voorgeschreven breipatroon, kan men de gewenste afmetingen nauwkeuriger realiseren. Mensen hebben namelijk een verschillende hand van breien. Het is dus ook niet aan te raden om verschillende mensen om beurten aan hetzelfde breiwerk te laten werken, aangezien dit verschil vaak duidelijk te zien is en het breiwerk er daardoor niet mooier op wordt.

Door kunstig te meerderen en te minderen kan zonder naad een sok gebreid worden, of wanten, of een muts.

Breisteken

De tricotsteek, die veel in truien wordt toegepast en ook in met machines gebreide kleding, bestaat uit rechte steken aan de voorkant van de kleding, en averechte steken aan de achterzijde van de kleding. Het is de eenvoudigste manier van breien, omdat de draad aan één kant van de naald kan blijven. Aan de voorzijde heeft de stof dan een patroon dat bestaat uit V-tjes, aan de achterzijde zijn ribbels te zien. T-shirts en dergelijke zijn ook in deze steek (machinaal) gebreid, T-shirtstof heet dan ook tricot.

De boordsteek, die rekbaarder is dan de tricotsteek, bestaat uit afwisselend 2 rechte steken en 2 averechte steken. Als de achterkant gebreid wordt, dan zijn dat juist eerst 2 averechte, dan 2 rechte steken (mits het aantal steken deelbaar is door 4). Bij dikkere wol wordt wel een boordsteek van 1 recht, 1 averecht gebruikt. Het voordeel van de boordsteek is dat het resultaat smaller is. De boord van een trui sluit dan bijvoorbeeld netter om de pols. Daarom wordt de boordsteek heel vaak gebruikt bij het begin of bij het eind (kraag) van een breiwerk.

Bij de gerstekorrelsteek wordt, net als bij de boordsteek, afwisselend recht en averecht gebreid. De rechte en averechte steken worden echter niet boven elkaar gebreid, maar versprongen. De “dubbele gerstekorrel” verspringt om de twee naalden.

Voor dikke truien en shawls wordt wel de patentsteek gebruikt. Hierbij wordt ook afwisselend één recht en één averecht gebreid, maar nu wordt de rechte één steek dieper ingestoken. Zo ontstaat een dikke en elastische structuur.

Veel breiers gebruiken een kantsteek. Dit is geen eigenlijke steek; eerder wordt bij het keren van de naald de eerste breilus afgehaald in plaats van gebreid. De rand van het breiwerk ziet er hierdoor vaak wat netter uit.

Voor het breien van een kabelpatroon is een hulpnaald nodig. Een kabelpatroon kan gebreid worden door een aantal steken (bijvoorbeeld 4) van de linkernaald af te halen op een hulpnaald. Vervolgens worden de 4 volgende steken gebreid. Daarna worden de 4 steken van de hulpnaald gebreid, die dus over de andere heen geleid worden. Vervolgens worden er enkele naalden (bijvoorbeeld drie) gewoon doorgebreid (aan de ene kant recht, aan de andere kant averecht). In de daaropvolgende naald worden weer 4 steken afgehaald op dezelfde manier. Hierdoor lijkt het alsof er een kabel op de trui verschijnt. Dit kan er leuk uitzien, maar heeft ook als voordeel dat er een dikker en dus sterker en warmer weefsel ontstaat.

Naast de hierboven genoemde bestaan er nog honderden andere steken, bijvoorbeeld met af en toe een gedraaide gebreide steek of met gaatjes (waarbij een dubbele lus over de rechternaald wordt gehaald en de volgende twee steken worden samengebreid).

De Breierij

Een groepsuitje met excursie, modeshow en shoppen!

Afhankelijk van de grootte van de bezoekende groep duurt de gehele excursie ongeveer 2 tot 2,5 uur.

De deelnemers worden door onze mensen aangekleed met artikelen die ook verkrijgbaar zijn in de de winkel. Het leuke hiervan is dat geen enkele modeshow hetzelfde is, aangezien er continue nieuwe producten bij komen en verdwijnen.

Afhankelijk van de grootte van de bezoekende groep duurt de gehele excursie ongeveer twee tot twee-en-half uur. De ontvangst, het welkomstwoord en de uitleg krijgt u allen gezamenlijk.

De rondleiding door de breierij en het bezoeken van de winkel gebeurt in kleinere groepjes, daardoor heeft iedereen de gelegenheid alles goed te kunnen volgen. In De Breierij laten we u zien wat we op dat moment aan het maken zijn, ook dit verandert continue en is ook iedere keer weer anders.

In de winkel kunt u geheel vrijblijvend zien wat voor producten we allemaal maken en heeft u de mogelijkheid om tegen gunstige fabrieksprijzen te winkelen.

Kleinere groepen?

De Breierij - toegankelijkheid